Omwonenden van grote stallen onvoldoende beschermd tegen stank
Geplaatst op donderdag 24 april 2025 Leestijd: 1 minuut
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 25 maart 2025 geoordeeld dat omwonenden van intensieve veehouderijen onvoldoende worden beschermd tegen geurhinder. De zaak draaide om een aantal bewoners die ernstige stankoverlast ervoeren en de Staat hiervoor aansprakelijk stelden.
Geurhinder als schending van mensenrechten
Volgens het hof kan extreme geurhinder een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer betekenen en valt dit onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In gevallen waar de geurbelasting boven de 25 ou/m³ uitkomt, moet de overheid maatregelen nemen om deze overlast te beperken.
Verantwoordelijkheid van overheid en gemeenten
Dit arrest legt een belangrijke verantwoordelijkheid bij de overheid en gemeenten. De huidige normen uit de inmiddels vervallen Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het huidige Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) blijken niet altijd voldoende. Gemeenten worden nu aangespoord om in hun omgevingsplannen strengere regels op te nemen om stankoverlast structureel te beperken.
Gevolgen voor beleid en omgevingsplannen
Nu geurhinder juridisch gezien een schending van het woongenot kan zijn, moeten beleidsmakers zich heroriënteren. Gemeenten krijgen via de Omgevingswet meer ruimte, maar het arrest maakt duidelijk dat het toestaan van geurbelasting tot 35 ou/m³ onverantwoord kan zijn.
Gezonde leefomgeving
Het arrest van het Hof Den Haag onderstreept het belang van een gezonde leefomgeving. Omwonenden van veehouderijen hebben recht op bescherming tegen overmatige geurhinder, en overheden moeten actief maatregelen treffen. Dit is een belangrijke stap in het verbeteren van de leefkwaliteit op het platteland.